Ontstaan van de kloosterorde

De orde vond haar ontstaan in de geest van de Contrareformatie (reactie op de opkomst van de Calvinistische, protestantse of geuzenleer). Ze is rond 1585 uit Spanje overgekomen in het zog van Alexander Farnese, de nieuwe gouverneur der Nederlanden die onze contreien op de Geuzen kwam heroveren.

De kapucijnen of bedelmonniken vonden hun inspiratie in de leer van Franciscus van Assisië (Umbrië-Italië) die armoede en een strenge levensstijl voorschrijft. Ze waren gekleed in een grove bruine pij met een pinkap en liepen blootsvoets (later blootsvoets op sandalen). Door hun strenge en armoedige levensstijl wilden ze een voorbeeld stellen aan de bevolking. Zulks in tegenstelling met de hang naar goederen en bezit van de Kerk vóór de inval van de Geuzen. Hieraan werd de openbare prediking gekoppeld want met de kerken en overgebleven kloosters was het na de geuzenbezetting nogal droevig gesteld.

Deze predikanten gingen hun boetepreken in eenvoudige mensentaal houden op de hoeken van de straten of zelfs in de nabijheid van de galg bij uitvoering van een vonnis. Ook werd er geleidelijk meer gepredikt in de lege parochiekerken en in verschillende steden en dorpen rond de kloostersteden. Hiervoor kregen ze van de plaatselijke overheid een bescheiden vergoeding.Op de 219 kloosterlingen van de orde waren er in 1615 maar liefst 67 predikanten actief die soms tot 180 maal per jaar de kansel betraden. Buiten de prediking waren ze ook op veel plaatsen actief in het geven van catechese en het biecht horen. Later kwam dan ook de verzorging van de pestlijders op de voorgrond. Aanvankelijk was het biecht horen door de paters enkel toegelaten bij mannen. Naderhand kwamen daar de vrouwenkloosters bij zoals de Gasthuiszusters, de Zwarte Zusters en de Karmelietessen en de verpleegde zieken in de gasthuizen. Pas veel later mochten de paters ook de biecht horen van vrouwen, maar enkel als de biechtstoel in goed verlichte kapellen stond en de biecht afgenomen werd door reeds oudere paters (kwestie van de kat niet bij de melk te zetten!).

 

De kapucijnen te Aalst van 1614 tot 1797

De eerste kapucijnen vestigden zich te Antwerpen en geleidelijk werden er van daar uit kloosters gesticht in diverse steden. De gemeenschap kreeg in 1614 toestemming van het stadsbestuur van Aalst en ook van het bestuur van het Land van Aalst (beheersorgaan voor de 177 gemeenten in de wijde omgeving van Aalst) om zich in Aalst te vestigen. Voorlopig namen ze hun intrek in het huis van de Aalsterse schepen Jan de la Quadra. In hetzelfde jaar kocht het Land van Aalst woningen op in de Kapellestraat, nog verder uitgebreid in 1615 met de aankoop van de “erve ende behuysde steden staende in de Capellestraat toebehoorende aen Hendrik van Steirteghem” voor de som van 768 gulden. Het klooster en de rechts aanpalende kerk waren gesitueerd op de huidige Graanmarkt aan de rechterzijde van de Kapellestraat, nu Zwarte Zustersstraat, rechts palend aan wat nu het huis De Bolle is, links grenzend aan de stadswallen (nu Vaartstraat) die in de volksmond “de Kapucienenvesten” werden genoemd met in de Kapellestraat de Scherrewerretoren, ook Schrobberstoren genoemd, waar binnenin een watermolen werkte. Achteraan paalde het aan de site van het huidig atheneum. Op de plaats waar rechts op de Graanmarkt de fietsenstalling geplaatst is stond het grote kerkhofkruis (later werd daar  de grote pomp geplaatst die lang de Graanmarkt heeft gesierd maar ondertussen reeds lang verdwenen is).

De hardnekkige bewering dat het klooster ooit op de plaats stond van het huidig Pupillencomplex is onjuist (zie plan Sanderus). Rechts op het grondgebied van het huidig Pupillencomplex stond wel het eerste klooster van de Zwarte Zusters, palend aan de stadswallen en aan de Capellepoort en -toren.

De bouw van het klooster werd voltooid in 1624, maar de inrichting nam nog vele jaren in beslag. Doorheen de ganse geschiedenis van het klooster doken aanvragen en betalingen op voor diverse herstellingswerken en verbeteringen. De betaling ervan geschiedde meestal door het Landscollege land van Aalst. Aangezien in het begin enkel de kerk en enkele lokalen glazen ramen hadden moet het er in de winter een frisse bedoening geweest zijn. Alhoewel de paters zelf weinig in de kerk kwamen – ze baden hun office in een afgesloten ruimte achter het hoofdaltaar – werden ze toch in de kerk zelf begraven (kwestie van hierdoor dichter bij de Hemel te komen). In de geest van armoede waren er in de kerk geen offerblokken en werd er ook geen stoelgeld gevraagd aan de gelovigen. Gezien het klooster door de overheid beschouwd werd als een instelling van openbaar nut, kregen de kapucijnen ook kosteloze geneeskundige verzorging en gratis geneesmiddelen (men moet zich daar evenwel niet teveel van voorstellen). Bovendien werden ze ook in voldoende mate voorzien van brandhout. Ook vanwege de abdij van Affligem en Ten Roosen ontvingen de kapucijnen regelmatig giften. Zijzelf verschaften dagelijks brood en soep aan de behoeftigen.

Tijdens de regeringsperiode van de Oostenrijkse keizerin Maria-Theresia vond men dat de godsdienstbeleving de spuigaten uitliep. In heel wat kloosters en orden was de naleving van de evangelische gedachte ver zoek en was het aantal geestelijken veel te hoog. De bedelorden werden aanzien als een te zware belasting van de bevolking. Alhoewel de kapucijnen er vrij goed uitkwamen dienden ze ook een aantal geestelijken te verminderen. De opvolger van zijn moeder Maria-Theresia keizer Jozef II hief in 1783 de “nutteloze orden” op. Alhoewel de kapucijnerorde niet opgeheven werd wegens hun sociale inzet kregen ze het zeer moeilijk om verder te blijven functioneren. Hun seminaries werden gesloten en alle contacten met de buitenlandse kloosteroverheid werden verboden.

Bij de Brabantse Omwenteling kozen de kapucijnen resoluut voor het volk en trokken op als veldkapelaan tot Vlaanderen en Brabant geheel bevrijd was van de Oostenrijkers. In 1790 verklaarden “de Verenigde Nederlanden” zich onafhankelijk, doch in hetzelfde jaar keerden de Oostenrijkers terug. De kapucijnen zullen het geweten hebben, want kort na elkaar dienden ze verschillende malen troepen van de belegeraars te huisvesten. Finaal zal de nieuwe Oostenrijkse keizer Leopold II een aantal van de gehate beslissingen opheffen en kwam er slechts tijdelijk wat rust over het land. Immers, in 1794 vielen de Fransen terug binnen. Oorlogstoerisme is dus zeker geen uitvinding van de 20ste eeuw. In 1796 werden alle kloosters afgeschaft en hun bezittingen aangeslagen. Ook de kapucijnen werden terdege gepest. De Commissaris van de Nationale Domeinen kwam op 22/9/1796 (le 1 Vendionaire an cinq de la république) inventaris maken van de leden van de kloostergemeenschap. Finaal werd er op 9/2/1797 inventaris gemaakt van de ganse inboedel van de kerk en het kloosterbezit. De kerk, kloostergebouwen en tuinen van het kloostercomplex kregen dra een andere bestemming. Zo werden de graanvoorraden van de stad in de gebouwen ondergebracht en de hooi- en strovoorraad in de kloostertuin. Met die voorraden werd door de bezetter flink geknoeid want er waren voortdurend klachten over de resterende hoeveelheden.

 

De rol van de kapucijnen in de pestbestrijding te Aalst

Aalst werd, zoals trouwens de meeste steden van Vlaanderen, in verschillende perioden zwaar geplaagd door de pest, die dood en vernieling zaaide onder de bevolking. De benaming “pest” werd algemeen gebruikt, ook als het over een tyfus- of cholera-epidemie ging. In sommige steden stierven er dagelijks 60 tot 70 personen, wat in vergelijking met het toenmalig bevolkingscijfer enorm was. In 1485 stierven er in Aalst op 3 maanden tijd 1.200 personen. Een speciaal kerkhof werd buiten de stadswallen aangelegd op het grondgebied van de huidige Albert Liénartstraat. Over de aanstelling van Hendrik Breem in 1597 als pestmeester vindt u een uitgebreide beschrijving in de VVAK Mededelingen 3/2009 : “Twelck de heere behoede wille” door Freddy Caudron. De verzorging van de pestlijders was voornamelijk het werk van de Zwarte Zusters en de Gasthuiszusters. De geestelijke bijstand aan zieken en stervenden werd verstrekt door enkele (pest)paters. Ze woonden in pesthuisjes aan de buitenrand van het kloosterdomein en mochten geen contact hebben met hun medebroeders omwille van het besmettingsgevaar. Om verlost te worden van de gesel van de pest werden alle mogelijke heiligen aanroepen, O.L.Vrouw, Sint-Rochus, de heilige man Job (Sint-Jobskapel), Sint-Antonius enz. Novenen werden gebeden en processies gehouden. Wanneer de pestperioden eindelijk uitbleven werd dit algemeen toegeschreven aan al die religieuze activiteiten, ongetwijfeld heeft de verbetering van de hygiënische toestand van waterputten en open rioleringen hierin veel verbetering gebracht. 


Periode na de opheffing van de kloostergemeenschap in 1797

Na de opheffing van de orde bleven de kapucijnen zoveel mogelijk bij elkaar in burgerswoningen. Sinds de afkondiging van het concordaat tussen Frankrijk en Rome in 1801 begon men terug in kleine gemeenschappen samen te leven. De paters moesten leven van hun werk in het onderwijs, of activiteiten in de parochies of van de steun van familieleden en vrienden. Ook waren er andere die hun kost verdienden als handarbeider, schoenmaker, tuinman of kok. Na het concordaat werden verschillende kapucijnen verbonden aan een kerk als mislezer, biechtvader, kapelaan of aalmoezenier in gasthuizen en gevangenissen.

Een echte heropleving van het kapucijnenleven begon geleidelijk na 1815, maar onder de Nederlandse koning Willem II bleef het kloosterleven afgeschaft. In de Belgische grondwet van 1831 werd de vrijheid van godsdienst en het recht op vereniging weer ingevoerd, maar de kapucijnergemeenschap was zodanig ontredderd en gedecimeerd dat het tot 1845 duurde voor een nieuwe start werd genomen. De gemeenschap ontwaakte als het ware uit een kwade droom. Hun actieterrein lag bij voorkeur bij de gewone mensen. Die werden bereikt door predicatie in allerlei vormen zoals volksmissies, aanbiddingsdagen, recollecties, vastensermoenen, het verspreiden van volksdevotie en het horen van biecht. In het teken van de christelijke caritas werd in Antwerpen in 1869 het foor-, woonwagen- en schipperswerk begonnen. Bij deze marginale groep ging de aandacht naar het dopen van volwassenen en kinderen, de eerste communie, het sluiten en regulariseren van huwelijken en de kerkelijke begrafenis. De kapucijnen van Aalst hadden lang een pater-aalmoezenier die de zigeuners en woonwagenbewoners bijstond.

Ook de eerste schoolstrijd van 1879-1884 en de opkomst van het socialisme met zijn antigodsdienstige reflexen is aan de kapucijnen niet onopgemerkt voorbij gegaan en gaf aanleiding tot oprichting van eigen katholieke organisaties. Tijdens de grote oorlog en het interbellum 1914-1940 ontstonden er sterke spanningen tussen de voorstaanders van de nieuwe vormen van apostolaat en het traditionele kloosterleven. Het pleit werd gewonnen door de conservatieve strekking wat later weer aanleiding gaf tot een tegenbeweging.

In de daarop volgende periode vanaf 1940 tot 1960 veranderde er heel wat in de maatschappij. De invloed hiervan kon niet uitblijven op de kloostergemeenschap. Een aantal leefregels werden geactualiseerd. Na het Vaticaans Concilie begon in 1966 een tijd van grote aanpassing aan het kapucijnenleven. Een tijdperk was definitief afgesloten. De kroon (soort tonsuur op het hoofd) werd afgeschaft, de pij werd vervangen door een burgerpak, en de baard alsook het blootsvoets op sandalen lopen, werden niet meer verplicht.

Sinds 1980 verloor de kapucijnergemeenschap fel aan krachten, sociale waarde en status, verlies van relaties en van mankracht. Dit gaf opnieuw aanleiding tot herbronning naar de diepe basisgedachte “leven als broeders met en voor de mensen”.

 

Terugkeer naar Aalst in 1909 en bouw van een nieuwe kerk en klooster.

Na een lange afwezigheid keerden de kapucijnen terug naar Aalst. In 1908 diende stadsbouwkundige en gerenommeerd architect Julien (Julius) Goethals een aanvraag in voor het bouwen van een klooster en kerk op de hoek van de Sint-Jobstraat en de ontworpen - nog niet uitgevoerde - “boulevard”. Dit fraai bouwwerk  werd uitgevoerd in neogotische stijl door aannemer A. Van Pottelberghe uit Erembodegem. De kerk was klaar in 1909. Het ganse complex heeft na al die jaren nog niets ingeboet aan zijn homogene schoonheid.

Op paasmaandag 27 maart 1910 werd de kerk plechtig ingewijd en voor de eredienst opengesteld. Sinds 1932 werd de Sint-Laurentiusschool van Brugge overgebracht naar Aalst en geïntegreerd in het klooster. Deze school met “oude humaniora” bleef bestaan tot 1966 en telde o.a. in 1962 Urbain Servranckx , alias Urbanus Van Anus als leerling. Vanaf 1968 werd hier de voorbeidende afdeling van het Sint-Jozefscollege (Pontstaat) overgebracht, school die heden nog steeds operationeel is. Op het hoogtepunt verbleven er in het klooster 30 paters die les gaven in het aanpalend college.

 

Ontstaan van de Sint-Antoniusparochie

In 1968 werd in de kerk de Sint-Antoniusparochie opgericht. Vanuit het klooster werden verschillende paters gedelegeerd naar diverse functies als pastoor, biechtvader, aalmoezenier van verenigingen, mislezer bij de zusterkloosters en dienstverlening in de omliggende parochies. Maar bij het uitblijven van voldoende nieuwe roepingen, verouderde de kloostergemeenschap langzaam aan. De blijvende doch afgenomen inzet van de enkele overgebleven paters, kon niet verhinderen dat – vooral de laatste 12 jaar – het klooster steeds meer een kleinere gemeenschap werd. Het veel te grote gebouwencomplex raakte stilaan in verval en de kloostertuin werd een ontoegankelijke wildernis nadat het voorstel om hem publiek toegankelijk te maken, werd afgewezen. Daarom werd een deel van het klooster omgebouwd tot een modern complex voor zes paters. Het prachtige Mariabeeld in de tuin dreigde verloren te gaan. Onder impuls van huidig pastoor Paul Segers, zorgde de parochiegemeenschap ervoor dat het werd overgebracht naar de dreef naast de kerk, waar het werd ingezegend door de huidige Abt van de abdij van Affligem.

 

Communauteit in 2000

 

Afscheid van de paters Kapucijnen

Op de viering van het 100-jarig bestaan van het Kapucijnenklooster namen de 4 overblijvende confraters afscheid van pater Paul Segers en van de parochiegemeenschap. Er werd tevens een unieke en druk bezochte tentoonstelling georganiseerd. De bezoekers werden, aan de hand van tentoongestelde kledij, schilderijen, kleine kunstvoorwerpen en eenvoudige huisraad door het dagdagelijkse leven van de paters gegidst. Ook postkaarten, foto’s en historische documenten uit de archieven van Antwerpen en Aalst werden voor de gelegenheid tentoongesteld.

Het klooster krijgt nu een andere functie, al hadden veel mensen het liever een sociale bestemming zien krijgen. De basisschool blijft en het beukenbos en de kloostertuin zullen mettertijd opengesteld worden voor het publiek. De pastoor blijft in de aanpalende pastorie wonen.

 

Bronnen:

-Pierre Van Der Vurst

-geschiedenis der stad Aalst: Frans De Potter en Jan Broeckaert

-1875-de kapucijnen te Aalst : Dany D’Herdt

-2001-VVAK Mededelingen nr. 1/2008 : Graanmarkt : De pupillen of het Rijksadministratiecentrum

-Aalsters erfgoed in gevaar? Pierre van Der Vurst -VVAK Mededelingen nr. 3/2009  -“Twelck de heere behouden wille”  -Freddy Caudron-Kerk en leven nr 23 12/8/2009  -Johan De Baere-internet: - kapucijnen – vlaanderen - sintantoniusaalst.

Last Updated on Saturday, 13 November 2010 16:25